Het kerkje


Het kerkje

"Beek in de gemeente Ubbergen in het Rijk van Nijmegen ligt aan de noordelijke helling van eene keten van bergen aan welke zich in eene Z.O.richting het Kleefse gebergte aansluit. Bergen en dalen wisselen elkaar hier bevallig af. De eerste zijn met vrolijk struikgewas of sombere dennen bezet.

De laatste zijn in graangevende akkers herschapen, of doorsneden met heldervlietende beekjes die hier in den omtrek ontspringende, aan het dorp zijnen naam Beke gegeven en aan wier zoomen de kastanjeboom welig tiert. Door deze beekjes worden,nadat zij zich in eenige kommen of vijvers, de ene hoger dan de andere gelegen, verenigd hebben twee molens gedreven.

Een, in het jaar 1824, van Nijmegen naar Kranenburg het eerste Pruisische stadje aan deze, op een afstand van 1,5 uur aangelegde en tot Wielder lopende straatweg, vanwaar enen grindweg tot Keulen doorgaat, verschaft tevens veel levendigheid en enen drukken doortocht van reizigers.

Het zuidelijk gedeelte ligt tegen en op de verschillende groepen van bergen, en vormt, te midden van het lover der bomen een schoon geheel. Ten noorden bevinden zich twee polders de Oostelijke of Bovenpolder, en de Westelijke of Beneden-polder.

De polders worden ten Noorden begrensd door een riviertje, het Meer geheten, waarin zich het bergwater ontlast. Van dit punt is het gezicht op het dorpje allerschilderachtigst, terwijl het zich amfitheaterswijze tegen het gebergte vertoont. Voornamelijk de r.k. bewoners vinden hun bestaan in wasserij en bleekerij, daar het kristalheldere water, dat hier wordt gevonden, aan het linnen een grote helderheid meedeelt. Sinds het jaar 1286 mogelijk al eerder ging men hier ter kerke. Destijds was zij aan den H.Bartholomeus toegewijd."

Bron: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden

Jacobus Noorduyn 1839, Gorinchem